Er zijn van die momenten waarop je lichaam denkt:
“Weet je wat jij nodig hebt? Nog een extra uitdaging.” Enter: buikgriep.
Overgeven, misselijk zijn, koorts, nul energie, nul eetlust en een hoofd dat zegt: dit is niet het moment.
Maar ja, ziekte houdt geen rekening met planning, agenda’s of “ik heb het al zwaar genoeg” kaarten.
Als je verder gezond bent, is buikgriep vervelend.
Maar als je chronisch ziek bent, voelt het alsof je lichaam even volledig op zwart gaat. Alsof je accu, die normaal al op energiebesparing modus staat, besluit: ik stop er even helemaal mee.
Alles kost moeite. Zelfs niks doen.
Het herstel is dan ook geen kwestie van “nou, vandaag weer aan de slag.”
Het is meer: voorzichtig rechtop zitten. Kijken of dat blijft lukken.
Een hapje eten en afwachten of je lichaam het accepteert of het ziet het als een persoonlijke belediging.
En ondertussen proberen we er nog iets van humor in te zien.
Zoals dankbaar zijn dat je badkamer dichtbij is, je dat ene windje laat en blij bent dat het niet een gevalletje "lepeltje nat" is.
Of ontdekken hoe creatief je kunt zijn met beschuit, thee en het woord “nee”.
Wat het vooral doet, is je weer even keihard bewust maken van je lichaam. Van grenzen die je niet kunt negeren. Van het verschil tussen willen en kunnen. En van het feit dat herstel geen rechte lijn is, maar meer lijkt op een slingerpad met af en toe een onverwachte kuil.
Maar er zit ook iets zachts in.
In het moeten vertragen. In het luisteren. In het accepteren dat vandaag genoeg is als je het gewoon hebt volgehouden.
Dus ja, buikgriep is ellendig.
Maar het herstel, hoe langzaam ook is ook een kleine overwinning.
Elke slok dat blijft zitten. Elke stap die iets lichter voelt. Elke dag dat je denkt: hé, ik ben er nog.
En misschien is dat wel de grap van het leven:
dat je soms pas merkt hoe sterk je bent, als je lichaam even zegt dat het nu echt tijd is om rustig aan te doen.
Ik ben er trouwens nog niet.
Laten we dat ook even duidelijk hebben.
Dit is geen verhaal van “en toen stond ik na een week later weer fris en fruitig op.”
Dit is meer een langzaam, licht wankel proces van voorzichtig omhoog krabbelen. Met pauzes. Veel pauzes.
Mijn lichaam doet momenteel alsof het een oud huis is waarin het licht het soms wel doet en soms niet. Je zet een stap, wacht even, kijkt of alles blijft werken en besluit dan of je door kunt of toch weer even gaat zitten.
Herstellen is nu:
denken dat je iets aan kunt, het proberen, en daarna ontdekken dat je lichaam daar toch anders over dacht.
Een soort onderhandeling waarbij je lichaam altijd het laatste woord heeft.
Maar goed het gaat vooruit.
Niet in sprongen, meer in millimeters.
En eerlijk is eerlijk: millimeters zijn ook beweging.
Dus ik krabbel. Rustig. Met lichte tegenzin, veel drinken en een nieuwe waardering voor simpele dingen zoals rechtop blijven en niet misselijk zijn. Geen heroïsche comeback, wel een voorzichtige terugkeer.
En dat is voor nu helemaal prima.
Want ik ben er misschien nog niet, maar ik ben wel onderweg.
Gewoon GeZegd.
Reactie plaatsen
Reacties